Legenden en mythologie in en van Noorwegen

Trollen
Volgens oude verhalen waren trollen grote wezens ,soms groter dan een kerktoren, die zeer dom en zwaar behaard en vooral lelijk waren; ze leefden in de bergen.
De Trollen roofden mooie meisjes, die moesten dan spinnen overdag en ‘s nachts de trollen op het hoofd krabben.
Andere trollen leefden op de bodem van een meer, onder een brug of in een eenzame hut. Ze kwamen pas goed in actie toen koning Olav kerken ging bouwen. Weer andere trollen waren een soort kabouters met een staart en een lange neus. Ze leefden in holen en vierden graag feest. Ze zouden een bovennatuurlijke kracht bezitten. De mensen moesten vriendelijk voor hen zijn, anders deden ze hun veel kwaad.

Nisser
Nisser is een korzelig, kabouterachtig mannetje, dat af en toe in de stallen rondspookt. Misschien is hij de geest van de “haugebonde” (heuvelboer), de oerbewoner van de boerderij die per traditie begraven werd in een grafheuvel op het erf. Omdat zij meestal rond Kerstmis actief zijn (de meeste onaardse taferelen spelen zich in de donkere dagen af) worden de Nisser als hulpjes van de kerstman gezien, maar op de boerderij weet men wel beter en stiekum wordt in de stal een glaasje geestrijk vovht voor de stamvader neergezet.

Hulder
Echt gevaarlijk, en dan vooral voor de heren, is de Hulder. Ze is mooi en verleidelijk en komt soms ineens uit de nevel op je af om je uit te nodigen voor een feestelijk drinkgelag. Ze heeft een koeiestaart die bij het dansen nog wel eens zichtbaar wil worden, maar meestal gecamoufleerd blijft. Ze wordt er op uitgestuurd door de trollen om mensenkinderen te krijgen en het geslacht van de “onzichtbaren” nieuw leven in te blazen, maar zodra ze een kerkelijk huwelijk met een nietsvermoedende jongeling heeft gesloten (en trollen zijn doodsbang voor de Kerk), verliest ze haar staart en krijgt ze een volledig menselijk aanzien. Voor korte tijd maar, want dan verandert ze in een oude heks. Immers, alle vrouwen uit de trollenwereld zijn “gyger”, monsterlijke heksen, al hebben ze niet de magische krachten van hun aardse zusters.

Fossegrime
Helemaal onzichtbaar is de fossegrime. Niemand heeft hem ooit gezien, maar velen hebben hem gehoord. Hij is de grote vedelaar, die zich achter de waterval schuil houdt en de kunst van het vioolspelen kan overdragen aan allen die hem goed gezind zijn.

Nökk
Op de bodem van meren en rivieren leeft de nökk, een zoetwatergeest, die onnozele zielen uit hun bootje trekt en meesleurt naar zijn onderaardse rijk. Soms komt hij boven water in de gedaante van een witte hengst en berg je dan maar!

Draug
De zoutwatercollega van de Nökk is de Draug, het monster dat in een halve boot over de zeeën rondzwerft en dezelfde kwalijke oogmerken heeft als de nökk.

Kraken
Een ander zeemonster is de Kraken, een soort octopus van enorme afmetingen, die grote scholen vis aantrekt en in hun spoor talrijke vissers, met wie het meestal slecht afloopt.

Deilgast
Als in de duisternis iemand wanhopig keien voortsleept, dan is dat de deilgast. Hij is verdoemd, omdat hij tijdens zijn leven land gestolen heeft van zijn buurman door ‘s nachts de stenen die de grens markeerden te verplaatsen. Nu tracht hij voortdurend zijn wandaden goed te maken, maar hij kan de grens niet meer terugvinden.

Tusse
De tusse is een oliedom, elf-achtig wezen van het mannelijk geslacht, dat achter de muren en onder de vloeren van de boerderij woont. Een pure plaaggeest voor de één, een behulpzaam ventje voor de ander.

Mythologie

Over de Oudnoorse mythologie is in feite niet zo heel erg veel bekend. De belangrijkste reden hiervoor is dat deze mythologie geen schriftelijke overlevering kent (behalve enkele korte runeninscripties). Pas na de invoering van het Latijnse
schrift werden er bepaalde zaken m.b.t. de heidense godsdienst op papier gezet. Maar dat werd gedaan door mensen die buiten deze godsdienst stonden, namelijk door christenen.

Andere bronnen van informatie kunnen zijn: – namen van bepaalde plaatsen – archeologische vondsten (bijv op plaatsen waar in de middeleeuwen kerken zijn gebouwd – sagen (Edda- en skaldengedichten) – eerst mondelinge overlevering, in de 12e eeuw opgeschreven (o.a. door Snorre Sturlason) – wetten (met name wetten uit de middeleeuwen, waarin verboden werd om heidense goden te vereren).

In zijn Edda-gedichten beschrijft Snorre o.a. hoe de wereld tot stand gekomen is: in het noorden was er ijs en in het zuiden vuur. In het midden bevond zich een bron, Ginnugagap. Door het vuur begon het ijs te smelten en uit de waterdruppels groeiden de reus Yme en de koe Audhumla. Yme voedde zich met de melk van Audhumla. Van Yme stammen alle reuzen af. Audhumla slikte het zout van de stenen en uit deze stenen kwam de eerste man te voorschijn: Bure. Hij kreeg een zoon die Bor heette, en die kreeg weer 3 zonen, Odin, Vilje en Ve. Van hen stammen alle goden af. Deze zonen doodden Yme en van Yme’s lichaam maakten ze grond. Zijn bloed werd de zee en zijn botten werden de bergen. Zijn tanden werden rotsblokken en zijn schedel gebruikten ze om de hemel te maken. Van vuurvonken uit het zuiden maakten ze een zon en een maan. Op het strand vonden ze drie stokken waar ze leven in geblazen hebben: dit werden de eerste twee mensen: Ask en Embla.

Men ging er van uit dat de wereld een ronde platte schijf was die omringd werd door de zee (in deze zee leefde de slang Midgardsormen). Op de buitenste rand van deze schijf woonden de reuzen (Utgard). In het midden wonen de goden (Åsgard) en daartussen in wonen de mensen (Midgard).
Midden in Åsgard staat een grote boom (Yggdrasil). Boven in deze boom bevidt zich het Valhalla. Via de regenboog kan men afdalen naar de aarde.
De wereld bestond alleen uit goede en slechte machten. De slechte machten waren de reuzen en de dwergen. De goede machten waren de goden en hun helpers (alver, norner, valkyrne).

De belangrijkste goden waren: – Odin (=Wodan), de oppergod die heerst over leven en dood – Tor (= Odins zoon) (Donar), heerst over weer en wind – Frøy en Frøya (goden voor groei en vruchbaarheid) – Balder (= Odins zoon) – Heimdall – Loke

Odin was de oppergod. Hij was zeer wijs en machtig. Hij had maar één oog, het andere had hij in de bron der wijsheid geworpen in ruil voor wijsheid. Odin wordt altijd vergezeld door twee wolven, en zijn twee raven (Huginn en Muninn) hielden hem op de hoogte van alles wat er op aarde gebeurde. Zijn paard heette Sleipnir en had acht benen. Odin was de heer van Valhalla, de burcht van de goden. Krijgers die op het slagveld gestorven waren, werden opgehaald door de Valkyrne, de dienaressen van Odin. Deze brachten de gesneuvelde krijgers naar Valhalla, waar de tijd werd doorgebracht met eten, drinken en vechten. Het was voor een krijger een grote schande om in bed te sterven, want dan kwam hij niet in Valhalla, maar in de onderwereld Niflheim terecht, waar de godin Hel de scepter zwaaide.

Eén van Odins zonen was Tor, de god van de donder. Wanneer hij in zijn bokkewagen langs de hemel reed en met zijn hamer Mjølnir om zich heen sloeg, onweerde het op aarde. Hij gebruikte deze hamer, die hem grote kracht gaf en altijd weer bij hem terugkeerde als hij hem wegslingerde, ook in zijn strijd tegen de reuzen, de grote vijanden van de goden.

De god Heimdal kon 1000 mijl ver zien en het gras horen groeien. Daarom werd hij uitverkoren om de regenboog, de toegangsbrug tot Åsgard te bewaken. Wanneer er gevaar dreigde blies hij op een grote hoorn om de goden en de krijgers van Valhalla te waarschuwen.

De god Njord, zijn zoon Frøy en zijn dochter Frøya waren Vanen, vruchtbaarheidsgoden. Zij waren bij een verzoening na een oorlog tussen Æsen en Vanen als gijzelaars uitgewisseld en woonden sindsdien in Åsgard. Njord was de god van de zee en de scheepvaart en woonde aan de kust.

Zijn dochter Frøya bezat een prachtig borstsierraad Brisinga en ook een verenkleed waarmee ze als een adelaar door de lucht kon vliegen. Dit kleed werd vaak door andere goden geleend, bijvoorbeeld om verkenningsvluchten boven Utgard uit te voeren.

Loki was een zeer twijfelachtige figuur, hij was een afstammeling van de reuzen, maar groeide op bij de æsen (goden). Hij was onbetrouwbaar en boosaardig, maar knapte ook vaak karweitjes op waar de goden zelf geen zin in hadden. Hij vergezelde Tor vaak op zijn tochten naar Utgard.

Zijn kinderen waren de Midgardsorm (de slang die de zeeën onveilig maakte en Hel (de heerseres van de onderwereld).

Bij de wortels van Yggdrasil woonden de drie nornen. Dit waren schikgodinnen die heerste over verleden, heden en toekomst. Zij bepaalden het levenslot van de mensen door het spinnen en doorknippen van levensdraden.

De oude Noorse goden waren geen goden in de christelijke zin van het woord. Ze vertoonden een aantal zeer menselijke trekjes: ze maakten ruzie, pleegden overspel en haalden streken uit.

De goden- en mensenwereld werd bedreigd door talloze gevaren. Uiteindelijk zou dit leiden tot Ragnarok (het einde der tijden). Te vergelijken met het christelijke Laatste Oordeel. Wanneer Ragnarok was aangebroken, zou de definitieve strijd losbarsten tussen goden en mensen aan de ene kant en en de reuzen en monsters (onder aanvoering van Loki) aan de andere kant. De oude goden zouden sneuvelen en er zou een nieuwe wereld met nieuwe goden uit zee oprijzen.

One Response to Legenden en mythologie in en van Noorwegen

  1. Kees Bakker 29 mei 2017 at 15:30 #

    erg leerzaam

Geef een reactie